Optimalisatie stikstofbemesting bij voeder- en baktarwe in functie van de groeiomstandigheden

VLAIO-project "Optitarwe"

Gepubliceerd op  woensdag 6 mrt 2024 om 15:14 uur
Binnen het VLAIO-project “Optitarwe" wordt onderzocht hoe de stikstofbemesting kan worden geoptimaliseerd in verschillende omstandigheden.

Nulbemesting bij de proef in Poperinge (31/03/2023)Nulbemesting bij de proef in Poperinge (31/03/2023)
Het ene groeiseizoen is het andere niet. Dat hebben we deze winter nog maar eens mogen ondervinden. Terwijl in het najaar 2022 de wintertarwe tijdig werd ingezaaid en door het warme najaar soms al vrij groot de winter in ging, is de situatie dit jaar helemaal anders. Door het natte najaar konden veel percelen pas laat of helemaal niet worden ingezaaid. De laatste jaren krijgen we steeds vaker te maken met extreme weersomstandigheden die een belangrijke invloed hebben op de ontwikkeling van de tarwe. Binnen het VLAIO-project “Optitarwe: een efficiëntere inzet van stikstof bij tarwe” onderzoeken de Bodemkundige Dienst van België, Inagro en de Hogeschool/Universiteit van Gent daarom samen hoe de stikstofbemesting kan worden geoptimaliseerd in verschillende omstandigheden. Het afgelopen groeiseizoen (2022-2023) werden de eerste proeven aangelegd waar voor verschillende N-bemestingsstrategieën de opbrengst en kwaliteit van de tarwe werden geëvalueerd.

Proefopzet veldproeven 2022-2023

Op 4 verschillende percelen werden vorig groeiseizoen elk 14 verschillende bemestingsstrategieën beproefd. Door de Bodemkundige Dienst van België werden twee proeven aangelegd in baktarwe. Één proef werd aangelegd bij de variëteit Moschus (E-kwaliteit) in Lennik (leemgrond) en één bij de variëteit Chevignon (BPS-kwaliteit) in Bekkevoort (zandleemgrond). Door Inagro werden twee proeven aangelegd in voedertarwe; één bij de variëteit LG Mondial in Poperinge (zandleemgrond) en één bij de variëteit Providence in Zwevegem (zandleemgrond). Bij elk van deze percelen werden verschillende stikstofbemestingstrappen aangelegd gaande van 0 kg N/ha, 50 kg N/ha, 100 kg N/ha, … tot 240 of 250 kg N/ha. Binnen de verschillende bemestingstrappen werd ook gevarieerd in het aantal fracties dat werd toegediend (1, 2, 3 of 4) en de verdeling van de stikstof over de verschillende fracties. De totale stikstofbemesting en verdeling over de verschillende fracties is voor de 14 bemestingsstrategieën weergegeven vooraan in Tabel 1 en Tabel 2. Bij alle bemestingsstrategieën werd de meststof ammoniumnitraat 27% (KAS) gebruikt.

Bemestingsdosissen toegediend in de 4 fracties (F1, F2, F3 en F4) en de resultaten van opbrengst, vochtgehalte, HL-gewicht, eiwitgehalte en het nitraatresidu voor de twee percelen met baktarwe in Lennik (Moschus) en Bekkevoort (Chevignon).Tabel 1. Bemestingsdosissen toegediend in de 4 fracties (F1, F2, F3 en F4) en de resultaten van opbrengst, vochtgehalte, HL-gewicht, eiwitgehalte en het nitraatresidu voor de twee percelen met baktarwe in Lennik (Moschus) en Bekkevoort (Chevignon).
Bemestingsdosissen toegediend in de 4 fracties (F1, F2, F3 en F4) en de resultaten van opbrengst, vochtgehalte, HL-gewicht, eiwitgehalte en het nitraatresidu voor de twee percelen met voedertarwe in Poperinge (LG Mondial) en Zwevegem (Providence).Tabel 2. Bemestingsdosissen toegediend in de 4 fracties (F1, F2, F3 en F4) en de resultaten van opbrengst, vochtgehalte, HL-gewicht, eiwitgehalte en het nitraatresidu voor de twee percelen met voedertarwe in Poperinge (LG Mondial) en Zwevegem (Providence).

Waarnemingen tijdens het groeiseizoen

De tarwe werd in het najaar van 2022 bij elk van de 4 proefvelden ingezaaid tussen 15 en 20 oktober. In het voorjaar werd op alle proefpercelen de nitraatvoorraad bepaald en een stikstofbemestingsadvies opgesteld. Bij alle percelen bleek de nitraatvoorraad laag te zijn, en lag deze tussen de 18 en 36 kg nitraat-N/ha voor het bodemprofiel 0-90 cm. Bij 3 van de 4 percelen was het organische koolstofgehalte ook laag (0.8 tot 1%). Enkel bij het perceel in Zwevegem werd een hoger organisch koolstofgehalte gemeten van 1.6%. De lage nitraatvoorraden en lage organische koolstofgehaltes resulteerde in relatief hoge stikstofbemestingsadviezen van de grootteorde 200 tot 225 kg N/ha.

Baktarwe Moschus in Lennik op 11/04/2023 na het toedienen van een eerste fractie op 16/03/2023 van 0, 50, 90 of 120 kg N/ha.Baktarwe Moschus in Lennik op 11/04/2023 na het toedienen van een eerste fractie op 16/03/2023 van 0, 50, 90 of 120 kg N/ha.
De eerste fractie werd in Poperinge al toegediend op 6 maart. Hierna volgde een aantal dagen met veel regen. Op veel percelen in Vlaanderen was de draagkracht van de gronden hierdoor niet ideaal, zodat de eerste fractie bij de andere proeven werd toegediend tussen 13 en 17 maart. Een 3 à 4 weken na het toedienen van de eerste fractie en vlak voor het toedienen van de tweede fractie werden bij alle behandelingen bodemstalen genomen om na te gaan in welke mate de eerste fractie was opgenomen. Bij alle 4 de proefvelden bleek dat de tarwe nagenoeg alle toegediende stikstof van de eerste fractie had opgenomen. Ook waar hoge dosissen van 100 en 120 eenheden werden toegediend in 1ste fractie bleek er niet veel stikstof meer in de bodem aanwezig te zijn. De zeer vochtige omstandigheden waren hiervoor heel gunstig.

Rond half april, bij het oprichten van de tarwe, werd overal de tweede fractie toegediend. Ook hier werd na een 3 à 4-tal weken aan de hand van bodemstalen nagegaan in welke mate deze was opgenomen door de tarwe. Uit de bodemstalen bleek dat bij alle percelen en bij alle bemestingsstrategieën ook de tweede fractie nagenoeg volledig was opgenomen door de tarwe en niet meer in de bodem aanwezig was.

De derde fractie werd toegediend is het stadium “laatste blad” rond half mei. Bij het object met 4 fracties werd nog een 4de fractie toegediend wanneer de tarwe in bloei stond (eerste helft van juni). Vanaf half mei brak een droge periode aan, dus tussen het toedienen van de 3de en de 4de fractie viel er nagenoeg geen neerslag. Pas eind juni kregen we terug wat neerslag op de velden. De eerste helft van juli was ook nog relatief droog, gevolgd door een periode met veel regen welke de oogst bemoeilijkte. De tarwe in Zwevegem en Poperinge kon nog rond 20 juli worden gedorsen, terwijl dit als gevolg van de regen in Lennik en Bekkevoort pas op 11 augustus mogelijk was.

Opbrengst  

De gemiddelde opbrengst en kwaliteit van de tarwe is voor de twee percelen met baktarwe weergegeven in Tabel 1 en voor de twee percelen met voedertarwe in tabel 2. Bij de nulbemesting vinden we zoals verwacht de laagste opbrengsten terug. In Lennik en Poperinge liggen deze rond de 5 ton/ha en in Bekkevoort en Zwevegem rond de 7 ton/ha. Tot een totale bemestingsdosis van 150 kg N/ha zien we bij alle percelen een duidelijke toename van de opbrengst tot 10 à 10,5 ton/ha. De verdeling van de fracties lijkt hier weinig invloed te hebben. Of dezelfde bemestingsdosis in 1, 2 of 3 fracties wordt toegediend en of er een hogere dosis in eerste of tweede fractie wordt gegeven, lijkt over alle proeven heen weinig effect te hebben op de opbrengst in 2023. In Lennik, Bekkevoort en Zwevegem neemt de opbrengst bij een hogere bemestingsdosis dan 150 kg N/ha gemiddeld nog weinig toe. In Poperinge zien we, afhankelijk van de bemestingsstrategie, wel nog een verdere toename tot 11.7 ton/ha.

In 2023 is er dus bij 3 van de 4 percelen een afvlakking van de opbrengstresponscurve vanaf een bemestingsdosis van 150 kg N/ha.

Belangrijke opmerking hierbij is dat de opbrengsten in 2023 voor wintertarwe gemiddeld op een lager niveau lagen. De weergegeven opbrengsten zijn ook deze bepaald in de proefveldjes zonder dat kopakkers, spuitsporen, … in rekening worden gebracht. De praktijkopbrengsten zijn bijgevolg gemiddeld altijd wat lager. Hoeveel lager hangt o.a. af van de grootte en vorm van het perceel maar meestal wordt er toch rekening gehouden met minstens 10 à 15%.

Kwaliteit

Naast opbrengst werd ook de kwaliteit van de tarwe vergeleken voor de verschillende bemestingsstrategieën. Bij alle percelen werd in de eerste plaats gekeken naar het HL-gewicht en het eiwitgehalte. Het gemiddelde hectolitergewicht in Lennik en in Zwevegem stijgt duidelijk met een toenemende bemestingsdosis tot 150 kg N/ha. Nadien is de gemiddelde toename op deze locaties nog zeer beperkt, net als bij de opbrengst. In Bekkevoort was het HL-gewicht laag en zeer variabel. De oorzaak hiervan is dat de tarwe door de aanhoudende regen al in de aar was beginnen kiemen voor het dorsen. Hier kan het effect van de bemesting op het HL-gewicht bijgevolg moeilijk geëvalueerd worden. Bij het perceel in Poperinge neemt het HL-gewicht net als de opbrengst wel nog verder toe bij een hogere bemesting dan 150 kg N/ha.

Als we kijken naar het eiwitgehalte van de tarwe zien we in de eerste plaats een duidelijk verschil tussen de baktarwe en voedertarwe variëteiten.

Bij de baktarwe variëteiten, en dan zeker de Moschus in Lennik, liggen de eiwitgehaltes al bij een lagere bemesting op een hoger niveau. Hoewel er niet overal nog een duidelijke toename was in opbrengst bij een bemestingsdosis boven 150 kg N/ha, is dit voor het eiwitgehalte wel bij alle percelen het geval. De hogere bemestingsdosissen resulteren duidelijk in hogere eiwitgehaltes. Zeker bij baktarwe is dit een belangrijk kwaliteitscriterium en moet eiwitgehalte toch minstens zo’n 12.5% bedragen. Voor het perceel met Moschus in Lennik werd voor een selectie van de objecten de bakkwaliteit nog verder onderzocht. Uit deze analyses bleek dat de bakkwaliteit hier duidelijk toenam met een toenemende bemesting en het grootst was bij de hoogste bemesting van 250 kg N/ha. Bij het perceel Chevignon was het HL-gewicht als gevolg van het kiemen van de tarwe te laag om geschikt te zijn als baktarwe, zodat het hier niet zinvol was om de bakkwaliteit verder te onderzoeken.

Nitraatresidu’s na de oogst

Kort na de oogst van de tarwe werd bij alle bemestingsstrategieën ook het nitraatresidu (0-90 cm) in de bodem bepaald. De resultaten hiervan zijn eveneens weergegeven in Tabel 1 en Tabel 2. Bij de percelen in Lennik, Poperinge en Zwevegem zijn de residu’s gemiddeld laag en is er geen duidelijk effect van de bemestingsdosis of -strategie. Hier heeft de tarwe dus alle toegediende stikstof kunnen opnemen en omzetten in een hogere opbrengst en/of een hoger eiwitgehalte. Ondanks de droge periode vanaf half mei is de 3de en de 4de fractie hier dus wel nog goed opgenomen door de tarwe. Bij het perceel in Bekkevoort zien we gemiddeld een hoger nitraatresidu waar een hogere 3de fractie werd toegediend en zeker waar nog een 4de fractie werd toegediend. Hier kon de 3de en zeker de 4de fractie niet goed meer worden benut door de tarwe. Wellicht was op dit perceel (lichtere textuur) het effect van de droogte groter dan op de andere percelen. Chevignon is ook een vroege variëteit die snel is beginnen afrijpen na het toedienen van de 3de fractie. Mogelijk heeft dat ook een rol gespeeld.

Besluit

Opbrengst

Een hoge totale stikstofgift leidde bij de proeven in 2023 gemiddeld tot een hogere tarweopbrengst, een hoger HL-gewicht en een hoger eiwitgehalte. Echter, bij 3 van de 4 proeven werd gemiddeld geen duidelijke toename in opbrengst en HL-gewicht meer waargenomen bij een N-bemestingsdosis hoger dan 150 kg N/ha. De maximale opbrengst die bij deze percelen werd behaald lag wel op een lager niveau dan gemiddeld. Dit zou voor een groot deel kunnen verklaren waarom de opbrengstrespons bij een hogere bemestingsdosis beperkt was in 2023. De komende jaren worden gelijkaardige proeven opgevolgd om de opbrengstrespons in verschillende omstandigheden te kunnen evalueren.

Eiwitgehalte

Het eiwitgehalte, wat zeker voor baktarwe belangrijk is, nam bij alle percelen wel nog verder toe bij een bemestingsdosis hoger dan 150 kg N/ha. Bij de baktarwe Moschus werd de bakkwaliteit nog verder beproefd en bleek deze het meest gunstig bij de hoogste bemestingsdosis van 250 kg N/ha. Hoewel het eiwitgehalte bij baktarwe gemiddeld hoger is dan bij voedertarwe, is een voldoende hoge stikstofbemesting hier dus wel nog belangrijk voor de bakkwaliteit.

Bekeken over alle percelen leek in 2023 vooral de totale stikstofgift bepalend voor de opbrengst en kwaliteit van de tarwe en had het aantal fracties of de verdeling van de fracties weinig invloed.

Ondanks de droogte werd de 3de en 4de fractie bij 3 van de 4 percelen nog goed opgenomen. Enkel bij het perceel in Bekkevoort was dat niet het geval en resulteerde dit in een verhoging van het nitraatresidu. Dit jaar zullen – in heel andere omstandigheden – gelijkaardige proeven worden aangelegd en wordt nagegaan of de resultaten van 2023 worden bevestigd of een andere bemestingsstrategie meer aangewezen is.

Auteurs: Jill Dillen (Bodemkundige Dienst van België) en Bram Vervisch (Inagro)