Bladluizen wintergranen

Toestand 26-28 oktober

Gepubliceerd op  woensdag 28 okt 2026 om 16:23 uur
Hoewel de bladluisdruk lijkt af te nemen, zijn de verschillen tussen percelen groot. Een behandeling is slechts op enkele percelen nodig. Controleer dus perceel per perceel.



De laatste week van oktober werd de bladluisdruk in de wintergranen een derde keer geëvalueerd door de partners van het Landbouwcentrum Granen Vlaanderen.  

Waarnemingen gebeurden op 14 percelen wintergerst op volgende locaties:

  • Limburg: Eigenbilzen, Gingelom, Hoepertingen, Piringen, Riemst en Rutten
  • Vlaams-Brabant: Asse, Bekkevoort, Lennik en Vissenaken
  • West-Vlaanderen: Helkijn, Vleteren en Zuienkerke

Klik om te vergroten
Deze percelen werden gezaaid tussen 21 september en 13 oktober. Het merendeel van deze percelen bevindt zich in stadium 1-2 blad (BBCH11-12). De later gezaaide percelen, zaai rond 10 oktober, tonen eerder stadium “1e blad uit de pluimschede” (BBCH 10). Het vroegst gezaaide perceel, zaai 26 september, heeft “begin uitstoeling” (BBCH 21) al bereikt. 


De gemiddelde bezettingsgraad (= het percentage plantjes bezet met minstens één bladluis) bedraagt momenteel 4.9 %. Dit is een duidelijke daling in vergelijking met het gemiddelde 8.2 % van vorige week. Op perceelsniveau bekeken, wordt vooral een status-quo waargenomen. De aantasting varieert tussen 0.3 en 24.5 %. Gemiddeld wordt 1 bladluis per plantje waargenomen.

De druk lijkt het laagst te blijven op de Limburgse percelen maar overal tonen zich grote verschillen tussen de percelen.

 

Uitgaande van de behandelingsdrempel van 10 % planten bezet met minstens één bladluis die in het najaar gehanteerd wordt, moeten slechts 2 op de 13 percelen behandeld worden. Algemeen behandelen is dus zeker niet nodig. Het is duidelijk dat er eerst op perceelsniveau moet geteld worden en bepaald worden of een behandeling nodig is.

Het weer lijkt heel stabiel en kalm de volgende dagen. Na nog enkele zachtere dagen tot einde van de week wordt het enkele graden frisser maar regen en wind zijn niet belangrijk.

Deze omstandigheden zijn niet direct een rem voor verdere uitbreiding.  Het blijft dus nodig om de toestand op te volgen. Doe dit op perceelsniveau! Houd in deze opvolging rekening met zaaidatum, rasgevoeligheid, ligging van het perceel en een eventuele voorgaande behandeling.

Bij een tolerant ras ligt het risico op opbrengstschade door dwergvergelingsvirus lager. De klassieke behandelingsdrempel van 10% is voornamelijk gericht op gevoelige rassen. Ook in tolerante rassen blijft opvolging nuttig, omdat bij een hoge bladluisdruk nog steeds zuigschade kan optreden, maar niet vanwege het risico op dwergvergeling.


Zelf controleren op bladluizen

  • Loop verspreid over het perceel en controleer minstens 200 planten.
  • Kijk per plant goed tussen en onder de bladeren, in de bladoksels en onderaan de stengel. Tel alleen levende bladluizen.
  • Noteer op hoeveel planten je minstens één bladluis vindt.
  • Bereken het percentage aangetaste planten: aantal planten met bladluizen ÷ aantal gecontroleerde planten × 100.
  • Vanaf 10% aangetaste planten is de behandelingsdrempel bereikt. Bij 200 gecontroleerde planten betekent dit dus 20 planten met minstens één bladluis.

Voorbeeld: 24 van de 200 planten hebben 1 of meer bladluizen → 12% → behandelingsdrempel overschreden.

Volgend bericht: 5 november