Resultaten rassenonderzoek wintertarwe 2026

Gepubliceerd op  donderdag 20 aug 2026 om 10:17 uur
De resultaten van het rassenonderzoek wintertarwe kan je hier raadplegen.

Proefopzet: Twee netwerken

Nieuw dit seizoen is de opsplitsing van de rassenproeven in twee afzonderlijke netwerken. Het eerste netwerk omvat de klassieke rassenproeven met rassen die al eerder werden getest. Daarnaast is er een apart netwerk voor nieuwe rassen. Deze proeven dienen als eerste screening van nieuwkomers en geven een eerste beeld van hun prestaties.
In beide netwerken wordt vergeleken t.o.v. dezelfde referentierassen: Chevignon, KWS Extase, KWS Keitum, KWS Sverre en SU Ecusson. Hierdoor zijn de resultaten van beide proefnetwerken onderling vergelijkbaar en kunnen nieuwe rassen correct worden beoordeeld tegenover enkele gevestigde waarden.

Het rassenonderzoek van LCG vindt steeds plaats onder praktijkomstandigheden, met standaard zaaizaadbehandeling. De bemesting wordt toegepast volgens advies en de ziektebestrijding op basis van het waarschuwingssysteem van LCG (EPIPRE).

Rassen in proef

Normaal netwerk: Klassieke rassenproef

Dit seizoen lagen er in het LCG netwerk 23 rassen wintertarwe in proef. De referentierassen zijn de rassen die meer dan 5 jaar in proef hebben meegelopen bij LCG, namelijk KWS Keitum, KWS Sverre, Chevignon, KWS Extase en SU Ecusson. De rassen Geluck en Champion zijn al 5 jaar opgenomen. Rassen die al 4 jaar meelopen zijn SY Revolution, KWS Erruptium & Celebrity. King Kong, KWS Sabrum, Intensity & SU Horizon liggen al 3 jaar in proef. Alle overige rassen liepen voor een tweede keer mee: Olaf, LG Tomjol, KWS Etoile, Godzilla, SU Tammo, SU Hybingo (H), RGT Farmeo, Ambientus, Hybiscus (H). De hybriden worden steeds aangeduid met (H). 
De rassenproeven werden op 8 locaties gezaaid, geografisch verspreid in Vlaanderen. In de Kustpolder (West-Vlaanderen) werden er 2 proeven aangelegd: Koksijde en Zuienkerke (Houtave). In het binnenland, op leem- en zandleemgrond, zijn er 6 proeven: Tongeren in Limburg, Sint-Martens-Lennik en Bekkvoort in Vlaams-Brabant, Bottelare in Oost-Vlaanderen en Zwevegem (Sint-Denijs) en Poperinge in West-Vlaanderen. De resultaten van het poldergebied (kleigrond) worden steeds apart geanalyseerd van de resultaten op lichtere bodem, (zand)leemgrond. Omdat rassen anders kunnen reageren op de zwaardere kleipolders en de omstandigheden aan de kust, in vergelijking met de lichtere grond in het binnenland.

Voorlopig netwerk: Screening van nieuwe rassen

In deze proeven zijn alle nieuwkomers opgenomen, met dus dezelfde referentierassen als in het normaal netwerk. Deze proeven zijn aangelegd op 2 locaties: Sint-Martens-Lennik (Vlaams-Brabant) en Zwevegem (West-Vlaanderen). Deze proeven hebben tot doel om nieuwe rassen te screenen naar geschiktheid voor de omstandigheden in Vlaanderen. Het is dus een verkennend onderzoek, met de mogelijkheid om meer nieuwe rassen te beproeven dan vroeger voorzien in het LCG onderzoek. In deze proef liggen in totaal 22 rassen, waarvan 5 referentierassen en 17 nieuwkomers.

Zaai

Seizoen ’25-’26 begon met ideale omstandigheden in het najaar om te zaaien. Vanaf 10 oktober werden de eerste proeven gezaaid aan de kust: Koksijde & Houtave op respectievelijk 10/10 en 15/10. Op 16 en 17 oktober werden dan Poperinge en Zwevegem gezaaid. Bekkevoort volgde op 30/10. De overige drie proeven werden in november gezaaid, Bottelare op 3/11, Sint-Martens-Lennik op 5/11 en Tongeren als laatste op 18/11. De zaaidichtheid ligt op de zware grond wat hoger dan de lichtere grond, 400 in vergelijking met 350 zaden per m². Hybriden worden aan een lagere zaaidichtheid ingezaaid, omwille van het hoger uitstoelingspotentieel van dit type. Op (zand)leem gaat het om 210 zaden per m², en op poldergrond om 240 zaden per m².



Seizoensomstandigheden

Oktober was warmer dan gemiddeld, wat leidde tot een hogere druk van bladluizen. Deze informatie werd ook verspreid via de LCG-nieuwsbrieven in het najaar.

Door de omstandigheden tijdens de zaaiperiode was er dit jaar een brede spreiding in zaaidata tussen de locaties. Dit vertaalde zich ook in een grotere spreiding in gewasontwikkeling tijdens het voorjaar dan we doorgaans zien.

De verschillen tussen de locaties waren daarbij hoofdzakelijk te linken aan de zaaidatum, terwijl in andere jaren vooral verschillen in ontwikkeling tussen vroege en late rassen opvallen. Zo was op 1 april in Koksijde, waar de proef het vroegst was gezaaid, bij het vroegste ras de aarzwelling al zichtbaar (zie tabel). In Tongeren, waar later werd gezaaid, hadden de rassen op dat moment nog maar net het tweede knoopstadium bereikt. 


Tabel: Gewasstadia van de rassen in proef in de week van 30/3/'26

LocatieZaaidatumBBCHGewasstadium van de rassenproef
Koksijde10/10/202537-43vlagblad zichtbaar tot begin aarzwelling
Houtave15/10/202533-393e knoop tot vlagblad volledig ontrold
Poperinge16/10/202534-364e knoop tot verschijnen vlagblad
Zwevegem17/10/202534-394e knoop tot vlagblad volledig ontrold
Bekkevoort03/11/202532-332e knoopstadium tot 3e knoopstadium
Bottelare05/11/2025322e knoopstadium
Lennik05/11/202532-332e knoopstadium tot 3e knoopstadium
Tongeren18/11/2025322e knoopstadium

Ziektedruk

Uit onze metingen bleek dat er in april slechts 8 tot 14mm neerslag viel. Mei was dan een meer gemiddelde maand met 50-52mm. Ook juni was natter, met lokale en gespreide buien, in totaal 51-71mm. Qua temperaturen was het vanaf april tot het einde van het groeiseizoen relatief warmer dan verwacht. 
Deze weersomstandigheden hebben geleid tot een algemeen lagere ziektedruk. Meeldauw werd zeer beperkt waargenomen, enkel in enkele gevoelige rassen. Bladvlekkenziekte wordt veroorzaakt door de schimmel Septoria tritici. Deze heeft neerslag nodig om zich te kunnen verspreiden. Door de drogere omstandigheden in het begin van het voorjaar bleef deze aantasting dus relatief beperkt in alle rassen. Pas later in het seizoen zagen we een toename van deze schimmelaantasting, met de neerslag die toen viel. Ook gele roest kwam eerder sporadisch voor, uitgezonderd in de meest gevoelige variëteiten, waar het heel duidelijk aanwezig was. De aantasting was ook groter aan de kust, dan in het binnenland De aanwezigheid van bruine roest komt traditioneel pas later in het voorjaar. Vanaf eind mei werden de eerste symptomen waargenomen in de gevoeligste variëteiten. De rassen met hoogste algemene ziektetolerantie zijn LG Tomjol, SU Hybingo (H), Ambientus, SU Horizon en KWS Extase.

Gele roest
Septoria en bruine roest
 


Legering

Algemeen werd voor oogst beperkt legering waargenomen. In enkele proeven kwam er legering voor in bepaalde rassen. De meeste aandacht is nodig voor Ambientus, Hybiscus (H), KWS Sverre en SU Tammo.


Oogst

De oogst van 2026 viel vroeg dit seizoen. Tussen 07/07 en 18/07 zijn alle 8 proeven gedorsen. De warme en droge weersomstandigheden in juni en begin juli versnelden de afrijping van het gewas, waardoor de oogst vroeger plaatsvond dan gebruikelijk. Ondanks deze omstandigheden lag de opbrengst van de rassenproeven wintertarwe op een hoog niveau en in lijn met vorig seizoen.

Er is op de (zand)leemgrond) 11 169 kg/ha geoogst, in vergelijking met  11 611 kg/ha in 2025. Tegenover 8 628 kg/ha in 2024, dat gedefinieerd werd door een nat voorjaar. In 2023 is er 11 337 kg/ha geoogst en 14 358 kg/ha in 2022. Ook in 2021, gekenmerkt door een nat voorjaar en zomer, bleef de gemiddelde opbrengst beperkt tot 9 481 kg/ha.
Aan de kust, in de zwaardere kleigrond, is er dit jaar gemiddeld 12 303 kg/ha geoogst onder proefveldomstandigheden. Wat vergelijkbaar is met de twee voorbije jaren, respectievelijk 11 701 en 11 063 kg/ha. In 2023 was dit 13 020 kg/ha en 11 519 kg/ha in 2022. In 2021 haalden we een iets lagere opbrengst aan de kust t.o.v. dit seizoen, 10 872 kg/ha. 
Het gemiddelde hectolitergewicht bedraagt 79,2 kg/hl, wat vergelijkbaar is met vorig seizoen 80,7 kg/hl. Qua eiwit ligt het dit seizoen gemiddeld iets hoger (11,9 %), in vergelijking met 10,8 % op DS vorig jaar. Het duizendkorrelgewicht ligt ongeveer 5 gram lager dan vorig jaar. Dit is het gewicht van 1000 zaden in gram uitgedrukt. Dit seizoen is dit 45,6 g, terwijl vorig 50,7 g werd gemeten.

De hittegolf van eind juni viel tijdens de korrelvulling en kan de afrijping beïnvloed hebben. Hitte tijdens de laatste fase van korrelvorming kan namelijk leiden tot een snellere afrijping, met mogelijks lichtere korrels en impact op hectolitergewicht. Ondanks het lagere duizendkorrelgewicht bleef de opbrengst op peil, wat erop wijst dat er voldoende korrels per vierkante meter aanwezig waren. Het iets lagere hectolitergewicht en hogere eiwitgehalte bevestigen het effect van de warme en droge afrijpingsomstandigheden. Een kortere korrelvulling leidt vaak tot een concentratie-effect van stikstof in de korrel, wat een hoger eiwitgehalte kan verklaren.

Lees er alles over in de publicatie: 

Ga zelf aan de slag met cijfers in de keuzetool 2026 of bekijk de rassenfiches.