De vezelboer, een cruciale speler in de keten van biogebaseerd bouwen

Gepubliceerd op  woensdag 6 mei 2026 om 14:13 uur
Binnen het project CASCO zoeken we naar waardeketens waarin bouwmaterialen geproduceerd worden met lokale gewassen, zoals stro, hennep of vlas. Hoe worden deze waardeketens georganiseerd en welke voorwaarden zijn nodig om alle stakeholders in de keten mee te hebben?

Doelstellingen van het project CASCO

CASCO staat voor CArbon Sink COnstruction en wil de enorme ecologische voetafdruk van de Europese bouwsector verlichten. In de huidige ‘Europese richtlijn energieprestatie gebouwen’ (EPBD) ligt de nadruk op de reductie van de CO2-uitstoot tijdens de levensduur van een gebouw (= operationele CO2-uitstoot). Helaas gaat een reductie van de operationele CO2-uitstoot vaak gepaard met een toename van de materiaalgebonden CO2-uitstoot, door het gebruik van meer materiaal of materiaal met een hoge CO2-uitstoot bij productie en meer en complexere installaties.

Europa werkt momenteel aan een herziening van de EPBD, waarin CO2-uitstoot over de hele levenscyclus van gebouwen in rekening wordt gebracht. Dit zorgt voor kansen voor lokale en natuurlijke grondstoffen zoals hout, stro, hennep en bermmaaisel, aangezien de ecologische voetafdruk van de bouwsector aanzienlijk verkleind kan worden. Helaas worden ze amper gebruikt. Binnen CASCO wordt er daarom op zoek gegaan naar deze lokale grondstoffen voor bouwmaterialen en naar het creëren van lokale waardeketens in Vlaanderen en Nederland. 

Inzicht in mogelijke Nederlandse en Vlaamse waardeketens

Om de zoektocht te vereenvoudigen gaan de partners in gesprek met Nederlandse en Vlaamse stakeholders. Hieruit werd duidelijk dat aannemers en architecten graag met natuurlijke materialen aan de slag willen gaan, maar dat er onvoldoende kennis beschikbaar is. Ook landbouwers hebben interesse, maar zoeken naar afzetmogelijkheden en samenwerkingsverbanden. Er zijn dus wel mogelijkheden, maar meer inzicht en kennis zijn dus nodig. 

Door de gesprekken werd ook duidelijk dat Vlaanderen en Nederland niet op gelijke snelheid draaien op het vlak van productie en gebruik van natuurlijke bouwmaterialen. Zo is er in Nederland de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB) die het gebruik van biogebaseerd bouwen stimuleert. De Nederlandse overheid trok daarvoor €200 miljoen uit. De NABB hanteert 30-30-30-regel: in 2030 moet minstens 30% van de nieuwbouwwoningen worden gebouwd met minimaal 30% biogebaseerde materialen, en dat tegen 2030. Om dit te halen moet de teelt van vezelgewassen groeien van circa 2.000 naar 50.000 hectare, en de verwerkingscapaciteit naar minimaal 400.000 ton vezels per jaar. Een ambitieuze, maar noodzakelijke omschakeling. Bovendien ondersteunen carbon credits telers die gewassen telen voor de bouwsector. Tot op heden zijn er in Vlaanderen nog geen verplichtingen of stimulansen die biogebaseerd bouwen de norm maakt.

We zoomen graag in op de gesprekken met de Nederlandse gemeente Bernheze en de telerscoöperatie T-CAB om te illustreren hoe zij omgaan met biogebaseerd bouwen en welke uitdagingen er zijn. 

Gemeente Bernheze als ketenregisseur

De gemeente Bernheze neemt een actieve rol op als ketenregisseur, waarbij het een verbinder is tussen de landbouw- en bouwsector. Het biogebaseerd bouwen wordt er gezien als een hefboom voor zowel klimaatbeleid als plattelandsontwikkeling. Er wordt daarbij niet enkel ingezet op de teelt, maar op de volledige ketenontwikkeling: van zaad tot bouwproduct en toepassing in lokale projecten. 

Wat vooral naar voren kwam is dat landbouwers die zich verenigen in telersgroepen of coöperaties een sterkere onderhandelingspositie hebben, dat kennis gemakkelijker gedeeld kan worden en dat investeringen in gezamenlijke verwerking en logistiek haalbaarder zijn door de grotere schaal. Samenwerking zorgt voor een continu aanbod voor bouwbedrijven, een goede kwaliteit en standaardisatie en risicospreiding. De systeemaanpak van Bernheze creëert een stabieler economisch perspectief omdat landbouwers niet afhankelijk zijn van één afnemer.


Telerscoöperatie T-CAB zet vooral in op de productie van stro

Naast Bernheze werd ook de Nederlandse telerscoöperatie T-CAB bezocht. T-CAB wenst met de teelt van vezelgewassen lokale ketens ‘van land tot pand’ te organiseren, stimuleren en ondersteunen om zo de transitie naar een circulaire, biogebaseerde bouwsector te versnellen. Doorheen de jaren leerde de coöperatie dat samenwerken essentieel is. Enerzijds tussen landbouwers zelf, zodat het uitgezaaide areaal een afzet vindt en certificeringen mogelijk worden. Anderzijds tussen landbouwers en de bouwwereld, waar inzicht in beide sectoren duurzame afspraken op lange termijn mogelijk maakt. 

De coöperatie teelde reeds hennep, sorghum, miscanthus en tarwe (stro). Tot op heden bleek enkel het stro succesvol te zijn. In juni 2025 ontving T-CAB de nodige certificeringen voor hun inblaasstro, wat noodzakelijk is om afzet te verkrijgen. Daarom focussen ze nu voornamelijk op de teelt van graan, waarbij het stro van 400 hectare afgenomen en ingeblazen wordt in daken van huizen in eigendom van woningcoöperaties.

Andere teelten worden uitgezaaid om aan kennisopbouw te doen. Een voorbeeld hiervan is hennep. In 2024 mislukte de teelt door de natte zomer. Door de aanwezigheid van de coöperatie kon elke teler toch rekenen op een vergoeding van €500 per hectare. Dat zorgt voor een zeker vorm van geruststelling bij de telers. Er is afzet voor de hennep bij het Friese bedrijf Dun Agro, 300 kilometer verderop. Een serieuze transportafstand. Bovendien neemt Dun Agro slechts een beperkte hoeveelheid af per week en betaalt het bedrijf in schijven. In een ideaal scenario wordt de hennep in de toekomst dichter bij huis (voor)verwerkt en gevaloriseerd.

Hoewel de vraag en de afzetgaranties zich nog volop aan het ontwikkelen zijn, is er ook een zekere vorm van positiviteit bij T-CAB. Men verwacht dat de bouwwereld de risico’s van de telers beter zal kunnen inschatten en ook de uitdagingen rond certificeringen zullen opgelost worden en investeringen zullen op lange termijn opschaling mogelijk maken. Vooral dit laatste is belangrijk want het kan het prijsverschil tussen gangbare en biogebaseerde bouwmaterialen kleiner maken. 

Woningbouwcorporaties en huisvestingsmaatschappijen als structurele opdrachtgevers

Zowel woningbouwcorporaties in Nederland als huisvestingsmaatschappijen in Vlaanderen kunnen een structurele rol spelen in de versnelling van biogebaseerd bouwen. Beiden beschikken over grote vastgoedportefeuilles met continue bouw- en renovatieopdrachten en kunnen dus voor de noodzakelijke opschaling van de keten zorgen. Bovendien bieden ze de noodzakelijke marktzekerheid voor landbouwers, verwerkers en producenten.

In tegenstelling tot in Vlaanderen wordt in Nederland steeds vaker de koppeling tussen landbouw en bouw gelegd. Ook spelen woningbouwcorporaties er een grotere rol dan de huisvestingsmaatschappijen in Vlaanderen. Het zijn grote, zelfstandige organisaties die sociale huurwoningen beheren en bouwen. Omdat zij als grote opdrachtgevers biogebaseerde eisen kunnen opnemen in hun projecten, zijn zij een cruciale hefboom voor de markt. 

In de Friese ‘Vezelhennepdeal’ verbonden woningcoöperaties, bouwers en boeren zich via concrete afnamegaranties om 1.000 Friese woningen te isoleren met lokaal geteelde vezelhennep. Ook in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg verbonden tientallen woningcoöperaties zich gezamenlijk aan biogebaseerd bouwen. Dit moet de klassieke patstelling doorbreken waarin bouwers wachten op materialen en boeren wachten op afnamezekerheid. Voor Vlaanderen ligt er dus een belangrijke opportuniteit door publieke en semipublieke opdrachtgevers actief te betrekken kan de biogebaseerde keten versneld volwassen worden. 

Leerlessen

Wat nemen we mee uit de gesprekken:

  • Stimuleer collectieve structuren bij landbouwers om zo schaal te creëren en aan risicospreiding te doen. Bovendien mag een telerscoöperatie zich ook professionaliseren om zo de eigen belangen voldoende te kunnen verdedigen. 
  • Geef lokale besturen een regierol doordat ze voor lokale projecten voor biogebaseerde materialen kiezen.
  • Activeer woningbouwcorporaties en huisvestingsmaatschappijen als "launching customer" en zorg zo voor een langdurige marktvraag en versnelde transitie.
  • Verbind landbouw en bouw structureel door het organiseren van gerichte ontmoetingen. Een open kostenmodel kan inzicht bieden aan de bouwsector en kan ook leiden tot een open gesprek waarbij wederzijds begrip voor de kosten en risico’s verkregen wordt.
  • Investeer in kennisdeling en inspiratie. Niet alleen de landbouwers moeten zich professionaliseren, ook de bouwsector heeft nood aan opleidingen. Stro kan perfect ingeblazen worden, maar het vraagt de nodige kennis om het even vlot te laten verlopen zoals het inblazen van cellulose of korrel.

Van pionieren tot systeembenadering

De ervaring uit CASCO leert dat de kracht niet alleen ligt in het succes van individuele vezelboeren, maar in het besef dat echte transitie een gezamenlijke onderneming is. Boeren die zich verenigen, worden meer dan grondstofleveranciers: ze worden mede-architecten van een circulaire economie.

Voor CASCO is dit een duidelijke boodschap. Als we biogebaseerd bouwen willen opschalen, moeten we investeren in sterke landbouwgemeenschappen die samen durven innoveren en die ondersteund worden door lokale overheden die hun rol als ketenregisseur opnemen.

Samenwerken is geen bijzaak in de transitie. Het is de motor.

Help ons door de korte bevraging in te vullen

Binnen het project ontwikkelden we een korte bevraging (9 vragen) waarin we willen peilen naar jouw interesse in het produceren van grondstoffen die toegepast kunnen worden in de bouwindustrie. Via deze bevraging kan je ook actief meedenken over het opzetten van ketens waarin je als landbouwer een ketenspeler kan worden. Bedankt alvast om deze bevraging in te vullen!