Rassenonderzoek winterzaai zomerbrouwgerst

1. Winterzaai van zomerbrouwgerst: resultaten van de rassenproef 2025-2026

Binnen het VLAIO-LA-project Grow2Brew ('Naar een optimale teelt en valorisatie van brouwgerst in Vlaanderen') wordt gezocht naar teeltsystemen die opbrengstpotentieel en brouwkwaliteit zo goed mogelijk combineren. Winterzaai van zomerbrouwgerst is daarbij een interessante piste: de teelt kan profiteren van een langer groeiseizoen, terwijl gewerkt wordt met rassen die gekend zijn voor vermouting.

In het teeltseizoen 2025-2026 werden de gekende zomerbrouwgerst rassen Laureate en RGT Planet vóór de winter uitgezaaid op twee locaties: Bottelare en Koksijde. De proef bouwt voort op eerder oriënterend onderzoek binnen Grow2Brew en op praktijkervaring met winterzaai van zomertypes.

2. Waarom zomerbrouwgerst voor de winter zaaien?

Winterbrouwgerst heeft doorgaans een hoger opbrengstpotentieel in vergelijking met zomerbrouwgerst. Voor vermouting wordt echter voornamelijk zomerbrouwgerst gebruikt vanwege de gunstige kwaliteitseigenschappen, zoals eiwitgehalte (9-11,5%), kiemenergie (>95%) en hectolitergewicht, maar ook gezien de betere mout- en brouwtechnische eigenschappen gelinkt aan een aantal procesparameters. Het lager opbrengstpotentieel van zomerbrouwgerst vormt voor landbouwers een belangrijke drempel.

Door zomerbrouwgerst in november te zaaien, wordt geprobeerd het groeiseizoen te verlengen, zonder het gewas te sterk ontwikkeld de winter in te laten gaan. Een latere zaai dan bij klassieke wintergerst helpt het risico op vorstschade te beperken. Wanneer zaaien in november door ongunstige weersomstandigheden niet mogelijk is, blijft een klassieke uitzaai eind februari of in maart mogelijk.

Binnen Grow2Brew werd deze aanpak al oriënterend onderzocht. In 2023-2024 werden verschillende zomertypes vóór de winter gezaaid in Lennik en Bottelare. In 2025-2026 werd de proef herhaald met Laureate en RGT Planet in Bottelare en Koksijde. Beide rassen werden aangeboden door Jorion Philip-Seeds.

Ook vanuit de praktijk bestaat reeds meerdere jaren ervaring met regeneratieve zomerbrouwgerst in winterzaai, eveneens met de variëteiten Laureate en RGT Planet. In Wallonië wordt deze teelt al ongeveer zeven jaar toegepast door CultivAé, met teeltbegeleiding door Regenacterre (bv. 130 landbouwers voor Pure Local mout, productie 8000 ton – ca 1200 ha). Ook Vlaamse landbouwers worden binnen dit systeem begeleid. Via de begeleidingsgroep van Grow2Brew werden contacten gelegd met CultivAé en Regenacterre, waardoor inzicht werd verkregen in de toegepaste regeneratieve teelttechniek.

3. Zaai

De zaai van de rassen verliep onder goede omstandigheden. De beproefde rassen lagen aan op twee locaties, geografisch verspreid over Vlaanderen: Bottelare in Oost-Vlaanderen en Koksijde in West-Vlaanderen. Op beide locaties werd gezaaid op 7 november 2025. Er werd op beide locaties een goede opkomst vastgesteld.

4. Teelttechnische aanpak

De rassen werden uitgezaaid aan een zaaidichtheid van 300-350 zaden/m². De proef in Bottelare volgde op kuilmaïs. De voorvrucht in Koksijde was suikerbiet. Een voorvrucht die veel stikstof nalaat in de bodem is minder geschikt, omdat een hoge stikstofnawerking het risico op een te hoog eiwitgehalte kan verhogen.

Bemesting

Voor zomerbrouwgerst ligt de stikstofbehoefte doorgaans lager (rond 90 tot 110 kg N per ha) in vergelijking met winter(brouw)gerst, dit geldt eveneens bij winterzaai. Bij winterzaai is een fractionering nuttig. Er kan een eerste stikstoffractie gegeven worden bij de uitstoeling in de tweede helft van februari of begin maart. Een tweede fractie kan dan nog voorzien worden bij het doorschieten-eerste knoopstadium. In beide proeven werd de stikstofbemesting in twee fracties toegediend volgens het advies van de Bodemkundige Dienst van België. Een correcte afstemming van dosis én tijdstip is belangrijk. Zowel een te hoog als een te laag eiwitgehalte zijn ongunstig voor de moutkwaliteit en kan leiden tot afkeuring als brouwgerst. Een te late tweede stikstoffractie kan bovendien het eiwitgehalte verhogen. Er wordt daarom gestreefd naar een evenwicht tussen opbrengst en eiwitgehalte, rekening houdend met bodemtype, voorvrucht, gewasstand en weersomstandigheden.

Gewasbescherming

Zomerbrouwgerst kan met een lagere inzet van gewasbeschermingsmiddelen worden geteeld ten opzichte van winter(brouw)gerst, maar gerichte opvolging blijft noodzakelijk. Behandelingen zijn niet systematisch nodig en worden best afgestemd op de omstandigheden in het veld. Zomerrassen die vóór de winter worden gezaaid, kunnen gevoeliger zijn voor ziekten omdat ze niet specifiek veredeld zijn voor winterhardheid en vroege ziekteresistentie. In de proeven werden preventief twee fungicidebehandelingen toegepast.   In de praktijk blijkt vaak slechts één gerichte behandeling met fungiciden te volstaan.  De landbouwer moet evenwel steeds zijn gewas goed opvolgen in dit verband.

In de proeven werden geen insecticiden toegepast. Bij winterzaai sluit de plaagbeheersing meer aan bij die van wintergerst en is vroege monitoring van bladluizen belangrijk. Jonge gerstplantjes komen in november op wanneer gevleugelde bladluizen, zoals de vogelkersluis, nog actief op zoek kunnen zijn naar waardplanten. Zij kunnen het gerstvergelingsvirus (BYDV) overdragen. De schade uit zich pas in het voorjaar via dwerggroei en gele bladpunten, met opbrengstverliezen tot wel 100% tot gevolg. Nauwgezette monitoring vanaf de opkomst is daarom aangewezen

Groeiregulatie

Op beide locaties werd preventief een groeiregulator toegepast. Bij zomerbrouwgerst is groeiregulatie door het lagere bemestingsniveau doorgaans minder noodzakelijk. Bovendien kan het gebruik van groeiregulatoren aanleiding geven tot meer secundaire scheuten, wat niet altijd wenselijk is voor opbrengst en kwaliteit. Op beide locaties viel op dat Laureate veel meer secundaire scheuten vormde dan RGT Planet. Een afgewogen inzet op basis van gewasstand en legeringsrisico blijft daarom aangewezen.

5. Ziektedruk

Net als in 2025 was het voorjaar van 2026 zeer droog. Daardoor bleef de algemene ziektedruk relatief laag en waren de verschillen tussen de rassen beperkt. Er werden voornamelijk bladvlekkenziekte, roest en netvlekkenziekte waargenomen. Bij de proef in Bottelare was het opvallend dat RGT Planet duidelijk gevoeliger was voor netvlekkenziekte dan Laureate.

6. Oogst

Als gevolg van de voorjaarsomstandigheden ontwikkelde de gerst zich dit seizoen zeer vlot, met vroege oogst als gevolg. De proef in Koksijde werd geoogst op 24 juni 2026 en de proef in Bottelare volgde op 30 juni 2026. De oogst vond op beide locaties plaats onder zeer droge omstandigheden. In Bottelare werd een gemiddelde opbrengst van 6.835 kg/ha gedorst. In de zware grond te Koksijde werd gemiddeld 7.766 kg/ha geoogst. Om dit te vertalen naar praktijkomstandigheden, moet hier zo’n 15% van afgetrokken worden, aangezien de gemeten opbrengst komt van de beste stukken van de percelen, waar geen spuitsporen of randeffecten meespeelden.

De korrelopbrengst van beide rassen wordt weergegeven als een relatief cijfer (%) ten opzichte van de gemiddelde opbrengst. Er was geen gelijkaardige trend in opbrengst tussen beide locaties. Laureate behaalde in Bottelare een hogere opbrengst dan RGT Planet terwijl RGT Planet de hoogste opbrengst in Koksijde behaalde. Naast de opbrengst speelt bij brouwgerst de kwaliteit (waaronder het eiwitgehalte) ook een belangrijke rol. Deze resultaten zijn nog niet beschikbaar en zullen later gecommuniceerd.

(Klik op de tabel om te vergroten)