Behandeling van bladziekten in wintergerst

Fungicidebehandeling

De fungicidebehandeling in het stadium 'laatste blad volledig ontrold" wordt bij voorkeur uitgevoerd met een fungicide op basis van een SDHI. Deze fungiciden behalen namelijk de beste resultaten naar ziektebestrijding en opbrengst. Een strobilurine inzetten kan ook, maar een SDHI heeft een algemeen betere werking. SDHI’s en strobilurinen dienen steeds gebruikt te worden in combinatie met een curatief werkend fungicide.

Een behandeling in “eerste knoop” is enkel te verantwoorden als er vroeg in het seizoen een sterke schimmelaantasting voorkomt. Hou dan wel rekening met de werkingsduur tussen deze vroege behandeling en de toepassing in het “laatste blad”. De periode tussen de vroege fungicidebehandeling en de behandeling in het stadium “laatste blad” mag 3 tot maximaal 4 weken bedragen. Dit is dan wel afhankelijk van de werkingsduur van de vroeg toegepaste fungicidebehandeling, de rasgevoeligheid en de ziektedruk. 

Bespuitingsschema wintergerst

Proefresultaten '22-'23

Met:
€ als indicatie van de relatieve prijs van de middelen (opgevraagd bij verschillende verdelers)
g het totaal gewicht van de verspoten actieve stoffen per ha
lengte van de balken geeft de gemiddelde opbrengst op 3 locaties (Zuienkerke, Lennik en Tongeren)

Bladvlekkenziekte (Rynchosporium)

De bestrijding van bladvlekkenziekte berust hoofdzakelijk op één van de onderstaande combinaties in het laatste blad.

  • strobilurine + triazool
  • SDHI + triazool.

Bij toepassing in het vroege stadium wordt de voorkeur gegeven aan de combinatie strobilurine + triazool.

De triazolen met de beste werking zijn prothioconazool en het recentere mefentrifluconazool. Qua strobilurines heeft pyraclostrobine de beste werking, gevolgd door trifloxystrobine en fluoxastrobine. Azoxystrobine heeft de laagste werking.

Bij voorkeur wordt er geen SDHI ingezet in de vroege behandeling, aangezien dit middel nog een werking heeft naar ramularia. Deze aantasting komt laat in het seizoen voor, dus de focus om deze te bestrijden moet dan ook later gebeuren. De SDHIs met beste werking zijn bixafen, benzovindiflupyr, fluxapyroxad en fluopyram.

Netvlekkenziekte (Helminthosporium)

Indien een vroege bladbehandeling noodzakelijk is, steunt de bestrijding van netvlekkenziekte vooral op de triazolen. Binnen de triazolen blijft prothioconazool het meest effectief. Het combineren van triazolen met een strobilurine in “eerste – tweede knoop” zorgt voor een langere nawerking. De actieve stoffen die nog een gemiddelde werking hebben zijn pyraclostrobine en trifloxystrobine.

Tegen een aantal strobilurinen wordt resistentie van netvlekkenziekte vastgesteld. Binnen deze groep vertonen pyraclostrobine en trifloxystrobine nog de beste werkzaamheid ter bestrijding van netvlekkenziekte. Om de werkzaamheid van de strobilurinen tegen netvlekkenziekte te behouden wordt aangeraden om in het “laatste blad” enkel een strobilurine toe te voegen aan een fungicide-combinatie op basis van SDHI +  triazool, bij de gevoeligste rassen/hoge druk van netvlekkenziekte. Het veralgemeend inzetten van een drieledige combinatie (SDHI + triazool + strobilurine) riskeert het versnellen van de selectie van de stammen netvlekkenziekte die een meervoudige resistentie vertonen tegen strobilurinen en SDHI’s.

Ramularia

Gezien het al of niet voorkomen van ramularia niet kan voorspeld worden, dient bij de fungicidekeuze rekening gehouden te worden met de bestrijding van deze ziekte en moet er dus preventief gehandeld worden.

De focus van een behandeling tegen ramularia vindt plaats in het “laatste blad”. Hiervoor kan het best een SDHI ingezet worden, benzovindiflupyr heeft nog een gemiddelde werking. Ook mefentrifluconazool, een triazool, heeft een gemiddelde werking naar ramularia. De SDHI’s (bixafen, fluxapyroxad en fluopyram), prothioconazool en cyprodinil vertonen een zwakke werkzaamheid ten aanzien van ramularia. Tegen strobilurines is er duidelijke resistentie gevonden.

Meeldauw

De meest effectieve werkzame stoffen zijn spiroxamine, quinoxyfen, proquinazid, cyflufenamide, pyriofenon, metrafenone. Daarnaast hebben bepaalde triazolen ook een werking tegen meeldauw, dit zijn metconazool en tebuconazool. Strobilurinen daarentegen hebben geen werking (meer), door resistentie.

Dwergroest

Indien een vroege bladbehandeling nodig is, kan dwergroest bestreden worden met triazolen. Bij voorkeur worden dan metconazool of tebuconazool ingezet. Dit kan gecombineerd worden met een strobilurine, voor een langere nawerking in eerste tot tweede knoop. De best werkende actieve stoffen zijn dan azoxystrobine en pyraclostrobine.

Aandachtspunten voor een goed resistentiemanagement

  • Wissel af tussen chemische groepen met een verschillende werkingswijze.
  • Vermijd tweemaal dezelfde werkzame stof in eenzelfde groeiseizoen. Bij twee behandelingen met eenzelfde werkzame stof, kan de eerste behandeling de ontwikkeling van resistentieopbouw versnellen waardoor de effectiviteit van de tweede behandeling afneemt.
  • De aanbevolen dosis respecteren. Een lagere dosis verhoogt het risico op enerzijds een lagere effectiviteit én kortere nawerking, en anderzijds selectie naar resistentie.
  • Een ziektebestrijdingsprogramma met opéénvolgende splitbehandelingen aan verlaagde dosis van een actieve stof kan een selectie naar resistente stammen veroorzaken en wordt daarom afgeraden.
  • SDHI’s en strobilurinen hebben een preventieve werking en dienen daarom steeds gebruikt te worden in combinatie met een curatief werkend fungicide (onder de vorm van een samengesteld handelsproduct of door menging). In combinatie met bijvoorbeeld een triazool wordt tevens een curatieve werking bekomen.

Binnen de chemische groep SDHI zijn er een aantal chemische families met onder andere:

  • pyrazool-carboxamide: benzovindiflupyr of solatenol, bixafen, fluxapyroxad of xemium en isopyrazam
  • pyridinyl-ethyl-benzamide: fluopyram

De chemische groep strobilurinen bestaat o.a. uit azoxystrobine, fluoxastrobine, pyraclostrobine, trifloxystrobine.

A tot Z